Als hij me vraagt om te blijven, zal ik blijven

Het is bijna schemerdonker deze zaterdag avond. De Dames van het Gandhi Tehuis voor Ouderen hebben zich rond twee TV’s geschaard, eentje staat boven en de ander beneden, in blijde afwachting van de wekelijkse topper, een Tamil speelfilm.

“Zaterdag avond, daar word naar uitgekeken” zegt Royal, de man achter de schermen van het reilen en zeilen van het Tehuis, en diegene die de dames “gered” heeft van hun drieste bestaan op straat.

Een midden-veertiger, maar Royal ziet er jonger uit – hij is licht gebouwd, en zijn epressieve gezicht plooit zich met gemak in een ontwapende lach. Voor deze oude dames, is hij hun geliefde ‘pleeg’ zoon.

Lakshmi heeft mijn komst verwacht; ze springt enthoesiast op van de hoge sofa en pakt mijn hand beet die ze als begroeting krachtig schud. Met zijn drieen gaan we naar een terras waar we rustig kunnen praten.

Lakshmi by Nausheen en Bari

” Ik ben erg gelukkig hier – Ik ben hier nu 5 jaar, en er ontbreekt mij aan niets,” zegt Lakshmi, die vanwege de Pondicherry winter warm is aangekleed, een trui over haar sari en blouse, en een wollen muts die over haar oren komt. “Royal is mijn zoon, er er is geen honger hier; hij voorziet ons van genoeg eten, genoeg thee, en voor mij genoeg betel bladeren en noten om te kauwen! Hij is als een geiten herder die verse sappige bladeren brengt voor de geit dat ik ben!

“Ik ben geboren bij Ulundurpettai in het dorp van Kalarukuppam; het was op de dag dat Gandhi vermoord was – dat zal je vertellen hoe oud ik ben [66 jaar]. Ik was uitgehuwelijkt aan een timmerman van Thoothukudi. Hij vond werk in Auroville onder een maestri (uitvoerder) in de bouw. Dus mijn man, ik, en onze 1 jarige zoon kwamen naar Kuyilapalayam. Het was een goed leven. Ik vond ook werk in de fabriek dat inpak papier voor zepen maakte. Daar werkte ik 16 jaar totdat de plek gesloten werd door Ohja [the Auroville administrateur, eds]. Ik herhinner me dat Ohja mij en de andere werkernemers vroeg om papieren te ondertekenen om de plaats op te heven. En alhoewel ik niet ondertekende werd de fabriek toch gesloten. Spoedig werd er in hetzelfde gebouw een technisch bedrijfje geopend dat handelde in textiel en kledingmakerij. Ik werkte daar 6 jaar totdat ik mijn knie blijvend had verwond en ik het werk niet meer kon doen. Mijn echtgenoot was ondertussen overleden. Ik vond toen werk in de tuin van een paar huizen in Auroville waar ik het gras van het gazon sneed.

Mijn zoon was een steenhouder. Hij werkte voor een vellakaran [buitenlander, eds.] van Italie in Thandrakuppan, bij Mudaliarchavadi. Deze man kocht wat land en registreerde dit onder de naam van mijn zoon, en zij leefden daar terwijl ik in Kuyilapalaym bleef. Mijn zoon werd verliefd en trouwde een meisje van Thandrakuppam. Hun eerste was een jongen die overleed, en toen werd een tweede jongen geboren. Hij was goed en kon goed leren. Toen kwam het noodlot ertussen. Mijn zoon ontdekte dat zijn vrouw ontrouw was en hij veliet haar en trouwde een tweede keer, een meisje van Edaiyanchavadi. Zij hadden een dochter en een zoon.

Door mijn zoon’s werk als steenhouder was hij altijd in aanraking stof een steen poeder. Het had een slechte uitwerking op zijn gezondheid en hij moest opgenomen worden in het ziekenhuis voor een operatie. Tijdens de operatie is hij overleden.

Toen verhuisde ik naar het huis van mijn zoon in Edaiyanchavadi om mijn schoon dochter en mijn kleinkinderen te helpen. Haar moeder woonde daar ook. Op een dag toen mijn kleindochter me koffie wilde in schenken, zei deze vrouw aan het kind, “Waarom bied je haar koffie aan – leg haar gewoon op de grond en giet koffie in haar mond”.  Het was een belediging, toch bleef ik kalm. Maar mijn kleindochter werd boos en sprak deze vrouw boos aan – haar andere oma. Ik beripste mijn kleindochter dat ze onbeleeft was naar een ouder iemand. Ik bleef nog 2-3 dagen in het huis maar ik was mentaal erg in de war geraakt. Ik besloot uiteindelijk om zelfmoord te plegen

Ik liep naar de zee en probeerde in het water te lopen om er eind aan te maken, maar er was een macht die me er van weerhield – het voelde alsof mijn zoon zijn armen om me heen sloeg en me terug trok. Ik probeerde keer op keer om de zee in te lopen, op verschillende plekken, maar iedere keer werd ik gered. Na vijf pogingen gaf ik op. Ik liep naar de Periya Amman Koil [Grote Godin Temple], ging zitten en dronk een grote mok thee. Toen kocht ik veel betel bladeren en noten een kauwde paan naar hartelust. Dat was dat.

Toen dacht ik aan deze zoon; ik had al gewerkt voor zijn vader Albert van de Auroville Health Centre en ik wist dat hij een Tehuis had voor oudere mensen. Ik besloot om hem op te zoeken – als hij me vraagt om te blijven, zal ik blijven, anders ga ik naar mijn geboorte dorp terug.

Zo is dit is nu mijn zoon geworden en is dit nu mijn thuis.”

Lakshmi blijft in contact met de familie van haar zoon. Haar twee kleinkinderen komen vaak op bezoek en brengen dan lekkers mee voor alle dames van het huis. Met bijzondere lekkernijen voor hun Lakshmi patti [oma]